top of page

Wat een huidskleurpotlood ons leert over burgerschap

‘Juf, mag ik het huidskleur potlood?’

Een vraag die ik in de klas regelmatig hoor. Mijn antwoord is steevast een wedervraag. Welke huidskleur bedoel je? Die van jou? Die van mij? Of die van je klasgenootje aan de overkant van de klas?’ Even is het stil. Dan kijken kinderen om zich heen. Ze zien wat ze daarvoor misschien nog niet bewust zagen: er bestaat niet één huidskleur.


Het lijkt misschien een klein taaldetail, maar juist zulke alledaagse gesprekjes doen ertoe. Woorden vertellen kinderen, vaak helemaal niet zo bedoeld, wat de norm is. Als één kleur wordt aangeduid als dé huidskleur, krijgen andere kinderen impliciet de boodschap dat zij daarvan afwijken. Dit is precies waarom burgerschap zo’n grote rol moet gaan spelen in ons onderwijs!


De afgelopen jaren hoor en zie je het overal terugkomen. De overheid en de Onderwijsinspectie besteden steeds nadrukkelijker aandacht aan burgerschap. Dit zie je ook terug in de inspectiebezoeken. Zoals blijkt uit ‘De staat van het Onderwijs 2026’ kreeg meer dan de helft van alle onderzochte scholen een herstelopdracht rondom burgerschapsonderwijs. Bijna altijd was het curriculum in onvoldoende mate doelgericht en samenhangend. De overheid wil zien hoe alle activiteiten die er al zijn rondom burgerschap bijdragen een de doelen die je als school hebt gekozen. Minder losse initiatieven, meer samenhang. Burgerschap begint bij de bewuste keuzes die je als school iedere dag maakt!

Met de nieuwe kerndoelen krijgt burgerschap meer richting en houvast. Hoewel de invoering pas in 2031 verplicht is, kunnen scholen vanaf komend schooljaar al beginnen met de implementatie. En dat is maar goed ook, want goed burgerschapsonderwijs ontstaat niet van de ene op de andere dag. Het vraag om doordachte keuzes, een duidelijke visie en een plek in de dagelijkse onderwijspraktijk.

In het Kerndoelen primair onderwijs (SLO) wordt beschreven wat nu precies verstaan wordt onder burgerschapsonderwijs. ‘Het leergebied burgerschap stimuleert de brede vorming van leerlingen, zodat ze zich kunnen ontwikkelen tot verantwoordelijke en kritisch denkende burgers. Het biedt kennis, vaardigheden en ervaringen waarmee leerlingen ontdekken hoe ze kunnen bijdragen aan de democratische en diverse samenleving en die mede vormgeven. De school is een oefenplaats waar leerlingen ervaringen opdoen, als individu en in relatie tot anderen. Leerlingen leren niet alleen de ander beter begrijpen, maar ook zichzelf.’


De democratie is hierin van essentieel belang. De 3 basiswaarden (vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit) vormen het anker. Deze basiswaarden moeten eigenlijk altijd centraal staan. Hoewel dit vrij groots klinkt is het een prachtige basis om je onderwijs vorm te geven.Bij vrijheid mogen kinderen leren dat iedereen zichzelf mag zijn en dat je een eigen mening mag hebben. Kinderen mogen in de klas kiezen uit verschillende speelhoeken, ze krijgen volop de ruimte om in de kring en daarbuiten te vertellen wat hij of zij denkt en we genieten van alle verhalen over de verschillende interesses, talenten en achtergronden.Bij gelijkheid leren we dat iedereen erbij hoort en dat je iedereen met respect moet behandelen. We leren om respect te hebben voor verschillen in afkomst, geloof, uiterlijk of gezinssituatie. We begroeten ieder kind, we zien ze allemaal, iedereen krijgt de kans iets te vertellen, nieuwe kinderen helpen we mee om zich vertrouwd te gaan voelen in de groep. We laten kinderen ervaren dat iedereen even belangrijk is. Hierin ontdekken we ook dat verschillen er mogen zijn! Bij solidariteit leren kinderen voor elkaar te zorgen en samen verantwoordelijkheid te dragen. We ruimen altijd samen de klas op, we helpen elkaar bij de kleinste taakjes (even meelopen naar de wc, een rits van een klasgenootje dichtdoen) of we troosten iemand als iemand verdrietig is. Samen maken we van de klas een fijne maatschappij in het klein. Het doel bij de kleuters is (nog) niet dat kinderen alle verschillen begrijpen, maar dat verschillen er gewoon mogen zijnToch hoor je nog regelmatig dat onderwerpen als diversiteit, identiteit en burgerschap ‘te ingewikkeld’ zouden zijn voor jonge kinderen. Ontwikkelingspsychologisch onderzoek  van onder andere Frances Aboud en Louise Derman-Sparks laat iets anders zien. Kinderen nemen verschillen tussen mensen al op jonge leeftijd waar. Vanaf ongeveer 3 jaar beginnen ze mensen in categorieën in te delen en tussen hun 5e en 7e levensjaar kunnen de eerste vooroordelen ontstaan.Kinderen zijn dus niet te jong om verschillen te zien. Ze zijn juist op een leeftijd waarop ze nog leren wat die verschillen betekenen. En precies daar ligt een belangrijke opdracht voor ons! Het is aan ons om kinderen te helpen om verschillen met nieuwsgierigheid, openheid en respect te benaderen. Dat is precies waar burgerschapsonderwijs begint!


In het boek ‘Sssst! Dat mag je niet zeggen’ van Eva Dierckx, Kato Luyckx en Zarissa Windzak wordt het fenomeen van ‘spiegels’ en ‘vensters’ toegelicht.


In een spiegel ziet een kind zichzelf. Een spiegel betekent dat een kind zichzelf herkent in de wereld om zich heen. Dat kan gaan om uiterlijk, gezinssamenstelling, cultuur, religie, taal, hobby’s of interesses. Wanneer een kind zichzelf terugziet in boeken, posters, speelgoed of verhalen krijgt het de boodschap: Ik hoor erbij. Mijn verhaal doet ertoe.Een venster laat kinderen kennismaken met mensen die anders zijn dan zijzelf. Je kijkt als het ware door het venster van de medebewoners op deze aarde. Via een venster ontdekken kinderen andere gezinnen, andere talen, andere culturen, andere huiskleuren, andere gezinssamenstellingen, andere manieren van leven. Het venster helpt kinderen begrijpen: Niet iedereen leeft zoals ik, en dat is normaal. Juist daardoor ontstaan nieuwsgierigheid en begrip in plaats van onbekendheid of vooroordelen.


Je hebt altijd spiegels én vensters nodig. Bij enkel spiegels leert een kind dat zijn wereld de normale wereld is. Bij enkel vensters zien kinderen iedereen terug behalve henzelf. Zowel de identiteit en het zelfvertrouwen als het begrip voor anderen en de nieuwsgierigheid naar verschillende leefwerelden moeten gestimuleerd worden in de (leer)omgeving. Materialen zijn namelijk niet neutraal; ze laten kinderen zien wie erbij hoort en hoe de wereld eruitziet. Wanneer je als school een respectvolle oefenplaats wilt zijn waarin actief wordt gewerkt aan de democratische basiswaarden, vraagt dit om bewuste keuzes in de inrichting van de klas en de materialen die je aanbiedt.


Het is aan ons om regelmatig met een kritische blik naar onze klassen te kijken. Wie ziet zichzelf terug in de klas? En wie niet? En welke kinderen leren hierdoor iets over iemand die anders is dan zijzelf? En wie niet? Door iedere hoek in de klas vanuit deze vragen te bekijken ontstaat er een leeromgeving waarin kinderen in de spiegel kunnen kijken en ook door het venster kunnen kijken bij hun medemensen.


Het mooi is: die bewuste keuzes kun je in iedere hoek van de klas maken. Burgerschap is geen les die je één keer per week geeft. Het zit in de boeken die je voorleest, de poppen die in de huishoek staan, de puzzels die je aanbiedt, de dagritmekaarten op het bord én in de woorden die je kiest.Misschien vraagt een kind morgen weer: ‘Juf, mag ik het huidskleurpotlood?’En misschien is het dan weer tijd voor een wedervraag want precies in die kleine momenten gebeurt het. Daar leren kinderen dat er niet één huidskleur bestaat. Dat iedereen erbij hoort. En dat verschillen niet vreemd zijn, maar heel gewoon. Burgerschap is niet iets wat je toevoegt aan je onderwijs. Het is iets wat zichtbaar is in de woorden die je kiest, de materialen die je aanbiedt en de keuzes die je iedere dag maakt.


Daar begint burgerschap.

Huidskleurpotloden en houten poppetjes in verschillende huidtinten.

Leestips: Sssst! Dat mag je niet zeggen - Eva Dierckx, Kato Luyckx en Zarissa Windzak

A Social-Cognitive Developmental Theory of Prejudice - F E Aboud Anti-Bias Education for Young Children and Ourselves - L Derman-Sparks





Opmerkingen


bottom of page